Elsbeth van der Ploeg Jan Rap en z`n maat / 06 feb. 2007 Gezien in: Deventer Schouwburg Gekut en gekloot. Daar komt het leven van Gemma wel zo’n beetje op neer. Gemma is één van de zes probleemjongeren in het opvangtehuis dat het onderwerp is van “Jan Rap en z’n maat”. De dertig jaar oude toneeltekst van Yvonne Keuls is in een nieuwe uitvoering nog altijd actueel, en raakt nog steeds tot in het merg van je botten. Stapels gele plastic kratjes vormen het decor van het opvangtehuis vol verknipte en door de maatschappij uitgekotste jongeren. Een slimme vondst, die kratjes: ze zijn behoorlijk smijt- en trapbestendig. Dat is wel nodig in dit huis, waarin de ene woede-uitbarsting de andere opvolgt, en met het meubilair niet bepaald lichtzinnig wordt omgesprongen. Vooral agressieveling Louis draait zijn hand niet om voor wat gooi- en smijtwerk met een wasbak of koelkast. Het verhaal is vanaf de eerste minuut duidelijk. Voor zes jongeren die nergens anders terecht kunnen is het opvanghuis hun laatste hoop. De idealistische leiding neemt laat alle hopeloze gevallen toe, maar het is wel de bedoeling dat ze hun best doen iets van hun leven te maken en na een tijdje weer vertrekken. Daarvan komt niet veel terecht en de jongeren keren telkens met de staart tussen de benen terug naar het ‘thuis’ dat het opvanghuis voor hen is geworden. Dat is dan ook het enige minpunt: het verhaal is vanaf het begin zo klaar als een klontje, en blijft de daaropvolgende twee uur hetzelfde. Maar dankzij de topcast die geweldig in vorm is, de humor waarvan het stuk overloopt en de hoge kwaliteit van de liedjes is dit niet zo storend als het had kunnen zijn. De personages zijn echt en worden met veel overtuiging neergezet. Dat zorgt voor ontroerende momenten, bijvoorbeeld wanneer de grofgebekte Gemma het huis verlaat en helemaal geen afscheid kan nemen van de stotterende Charrie. “Hij ken toch helemaal niet alleen zijn?”, snikt Gemma opeens over die “niksnut met zijn pislucht”. De ontroerende momenten worden afgewisseld met hilarische taferelen. Zo wordt de psychologie van de koude grond belachelijk gemaakt wanneer Louis, een beer van een vent, dreigend over een leidinggevende gebogen staat en buldert: “Ik haat jou!” “Nee”, reageert de leider met een klein stemmetje, “Je haat je moeder. Zeg maar: Ik haat mijn moeder”. Door de steeds aanhoudende spanning blijft het stuk boeien. Zo nu en dan vormt een liedje een breekpunt. De melodieën van bekende jaren zeventig klassiekers worden gebruikt, zoals “House of the Rising Sun” van de Animals. Samen met de seventies outfits plaatst dat het stuk duidelijk in de jaren zeventig, waarin ook het boek van Yvonne Keuls uitkwam. Toch is het verhaal niet gedateerd. Thema’s als mishandeling en misbruik zullen altijd actueel blijven.
door: Elsbeth van der Ploeg
Meer info over 'Jan Rap en z`n maat' Recensies door 'Elsbeth van der Ploeg'
|