Poppen in de hoofdrol in verrassende ZauberflöteJan van SmedenDie Zauberflöte Nationale Reisopera / 25 mei. 2008
Gezien in: Schouwburg Almere
Bij ‘maar weer eens een Zauberflöte’ kan je je afvragen wat er dan nu ‘weer eens’ mee gedaan zal worden. Met de hele drukte van de produktie van De Nederlandse Opera, in een decor van Karel Appel, nog goed in het geheugen is het een verrassing om een haast leeg toneel te zien waarop naast een zwart, hellend rond speelvlak, wat rommelige karretjes te zien zijn. In eerste instantie lijken het attributen, maar niets blijkt minder waar. Boven het toneel zijn drie identieke filmprojecties van een stilleven van potjes, doosjes en blikjes met daarop de namen van alle personages. Weer een stuk met videoprojecties?
De wereldberoemde opera van Mozart, op een libretto van Emanuel Schikaneder, staat bekend als een vrijmetselaars-opera. Het staat bol van de symboliek. De drie-eenheid, Isis en Osiris, man en vrouw en beproevingen om uiteindelijk tot een hoger plan te komen. ‘Per dolorem ad veritatem’ is om kort te gaan wat men daarvoor moet doen.
Prins Tamino krijgt de opdracht om Pamina, de dochter van de Koningin van de Nacht, te redden uit de handen van hogepriester Sarastro. Daarbij zal hij worden geassisteerd door drie knaapjes als kompas en de vreemde vogelvanger Papageno. Drie hofdames tonen hem, uit hande de koningin, een portret van de ontvoerde Pamina, waarop Tamino op slag verliefd wordt. De koningin beloofd hem haar hand als hij haar terug weet te halen uit Sarastro’s tempel. Tamino krijgt van de drie dames een toverfluit en Papageno een magisch klokkenspel, ter overkoming van mogelijke gevaren. Uiteindelijk doorstaan Tamino en Pamina alle proeven opgelegd door het tempelgenootschap en mogen ze als ingewijd echtpaar door het leven.
Tijdens de ouverture wordt ineens duidelijk wat de bedoeling van de projecties is. Uit de doosjes, blikjes en potjes verschijnen één voor één popjes, zo is er een blikje met de drie dames, een blikje knaapjes, maar ook een doosje klokkenspel. Op deze manier worden alle personages alvast geïntroduceerd op eenzelfde wijze als de foto’s van de intro van Goede Tijden Slechte Tijden.
De rommelige karretjes op het zijtoneel blijken meesterlijke mini-decors te zijn, ontworpen door Gerrit Timmers, die samen met Mirjam Koen ook verantwoordelijk is voor de regie. Het regisseursduo van het Onafhankelijk Toneel heeft zichzelf hiermee een dubbele baan gegeven. De zangers bewegen zich op de zwarte stip en richten zich op elkaar terwijl op de projectie veel meer handeling te zien is door de poppen. Het is alsof de zangers een stomme film inspreken. De personenregie is vrij sober, maar de poppen bieden veel mogelijkheden om commentaar te geven op de handeling van de zangers.
Als Tamino van de drie dames een polaroidfoto krijgt van prinses Pamina, krijgt de poppen-Tamino een dvd te zien van de prinses die lekker ligt te zonnen op een picknick-kleedje tussen de bloemen. Het popje kijkt ook zo af en toe naar het publiek als ware het om te zeggen: “leuke meid zeg, die Pamina!”.
Later, als de Koningin van de Nacht tamelijk strak in de plooi haar aria ‘Zum Leiden bin ich auserkoren’ zingt, zit ze op dezelfde troon als haar poppen-evenbeeld, echter zit haar evenbeeld uitvoerig tot snotteren met een minizakdoekje. Als ze vervolgens opstaat en Tamino toezingt dat hij de redder van haar dochter moet zijn, dwingt het koninginnenpopje de poppen-Tamino op de knieën voor haar.
Van scène naar scène gaan we over naar een nieuw decor. Het oude decor krijgt even een snapshot dat wordt vastgehouden door de projectie, totdat de filmer en de poppenspelers aan zijn gekomen bij het volgende karretje om daar verder te gaan met de voorstelling.
Het geheel werkt verrassend goed. De poppen zijn geestig, ontroerend en ontwapenend.
Daarbij wordt er erg goed gemusiceerd en gezongen. Het Gelders Orkest o.l.v. Andreas Stoehr speelt spits en strak. Bij de prachtig uitgevoerde ouverture weet je meteen dat het een voorstelling zal worden met een goede muzikale smaak. Niet overal lukt het om helemaal gelijk te blijven met de zangers, maar dat komt door soms iets hoge tempi, terwijl het op momenten als ‘Schnelle Füsse’ of het terzet ‘Soll ich dich, Teurer, nicht mehr sehen?’ opvallend traag is.
Marcel Reijans zingt een schitterende en vorstelijke Tamino, Johannete Zomer is een mooie Pamina, maar blijft een ietwat koel in haar aria ‘Ach, ich fühl’s’. In haar zelfmoordscène is ze later echter zeer overtuigend en ontroerend, dit bijgestaan door de fraai zingende knaapjes uit het Roder Jongenskoor. De stem van Dimitri Ivastsjenko, als Sarastro, is waar je op hoopt; een donkere bas om tegenaan te leunen. Beverly Chiat, als Königin der Nacht zingt alles, ziet er goed uit, heeft een strakke coloratuursopraan, maar heeft zoals zo vaak in deze rol niet de diepe klank en breedte van een dramatisch coloratuursopraan.
Frans Fiselier is een mooie Sprecher en ook de drie dames zijn goed bezet en zingen erg mooi samen. Het herenkoor van de reisopera vormt een mooi sonoor ensemble en de finales met het volledige koor zijn stralend, pittig en strak.
De echte speelrollen zijn geweldig bezet. Roman Arzomand zet een zeer overtuigende Monostatos neer. Hij speelt het als een walgelijke viespeuk en zingt het groots. De ware held van de voorstelling is de Nederlandse bariton Peter Bording in de rol van Papageno. In prachtig Duits speelt hij de hele opera aan elkaar en zijn heerlijke stem, waarin hij zelf op een allercharmantste manier kan hangen is warm en vervoerend.
De Nationale Reisopera heeft er met deze
Zauberflöte een heel mooie nieuwe voorstelling bij. Voor jong en oud is het een plezier om naar te kijken